Het UMC Utrecht heeft als eerste ziekenhuis in Nederland een patiënt behandeld met een bot-kraakbeentransplantatie in de knie. Bij deze operatie vervangen orthopedisch chirurgen het beschadigde kraakbeen en een deel van het onderliggende bot door gezond weefsel van een overleden donor. De behandeling is vooral bedoeld voor patiënten jonger dan vijftig jaar bij wie bestaande behandelingen onvoldoende helpen.
De nieuwe behandeloptie richt zich op een specifieke groep patiënten met ernstige schade aan zowel het kraakbeen als het bot in de knie. Deze schade kan langdurige pijn veroorzaken en lopen, werken en sporten beperken. Zonder een effectieve behandeling neemt bovendien het risico op verdere gewrichtsschade en artrose toe.
Voor jonge patiënten is een knieprothese niet altijd een goede oplossing. Zij moeten nog tientallen jaren met de prothese functioneren en lopen daardoor een grotere kans dat later één of meerdere vervangende operaties nodig zijn. Het UMC Utrecht probeert daarom het eigen kniegewricht zo lang mogelijk te behouden.
Gezond donorweefsel vervangt beschadigd deel
De officiële naam van de behandeling is een osteochondrale allografttransplantatie. Osteochondraal betekent dat het transplantaat bestaat uit kraakbeen en het bot dat daar direct onder ligt. Allograft betekent dat het weefsel afkomstig is van een andere persoon.
Tijdens de operatie verwijdert de orthopedisch chirurg het beschadigde deel van het gewrichtsoppervlak. Vervolgens plaatst de chirurg een passend stuk donorbot met daarop gezond en levend kraakbeen in de ontstane opening. Het transplantaat moet nauw aansluiten op de vorm en grootte van het defect.
Het donorbot moet na de operatie vastgroeien aan het bot van de patiënt. De levende kraakbeencellen aan de bovenzijde zorgen voor een glad gewrichtsoppervlak. Daarmee probeert de behandeling niet alleen het beschadigde bot op te vullen, maar ook de normale glijfunctie van de knie zo goed mogelijk te herstellen.
Een belangrijk voordeel is dat de behandeling in één operatie kan worden uitgevoerd. Er hoeft geen gezond kraakbeen uit een ander deel van de knie te worden verwijderd om het defect te vullen.
Voor wie is de behandeling bedoeld?
De bot-kraakbeentransplantatie is geen algemene behandeling voor artrose of andere veelvoorkomende knieklachten. De behandeling is bedoeld voor zorgvuldig geselecteerde patiënten met ernstige, plaatselijke schade aan het kraakbeen en het onderliggende bot.
Het gaat meestal om patiënten tussen de 18 en 50 jaar die veel beperkingen ervaren en bij wie andere behandelingen niet voldoende hebben gewerkt. Dit kunnen bijvoorbeeld patiënten zijn die eerder een operatie, celtherapie of een andere kraakbeenherstellende behandeling hebben gehad.
Een orthopedisch chirurg beoordeelt onder meer:
- de plaats en omvang van de beschadiging;
- de toestand van het kraakbeen en onderliggende bot;
- de leeftijd en lichamelijke belastbaarheid van de patiënt;
- eerdere behandelingen en operaties;
- de stabiliteit en stand van de knie;
- de haalbaarheid van een langdurig revalidatietraject.
De behandeling moet vooral uitkomst bieden wanneer behoud van de eigen knie nog mogelijk is, maar kleinere hersteltechnieken onvoldoende perspectief bieden.
Geen afweeronderdrukkende medicijnen nodig
Bij veel orgaantransplantaties moeten patiënten medicijnen gebruiken die de afweerreactie van het lichaam onderdrukken. Bij deze bot-kraakbeentransplantatie is dat volgens het UMC Utrecht niet nodig.
De levende kraakbeencellen bevinden zich opgesloten in het kraakbeenweefsel. Daarnaast wordt het donorbot voor de operatie zorgvuldig uitgespoeld. Hierdoor is de kans op een sterke afweerreactie klein.
Dat betekent niet dat er geen biologische reactie kan optreden. Onderzoekers van het UMC Utrecht volgen daarom hoe het afweersysteem op het donorweefsel reageert. Zij onderzoeken daarvoor onder meer het bloed van behandelde patiënten.
Donorweefsel moet snel beschikbaar zijn
De organisatie rond de behandeling is ingewikkeld. Het kraakbeen moet voldoende levende cellen bevatten wanneer het wordt getransplanteerd. Daarom mag er niet te veel tijd zitten tussen het beschikbaar komen van het donorweefsel en de operatie.
Het weefsel moet daarnaast passen bij de knie en bij de vorm en grootte van de beschadiging. Vooral donorweefsel van jongere overleden donoren is schaars. Het aantal operaties hangt daardoor niet alleen af van de capaciteit van het ziekenhuis, maar ook van de beschikbaarheid van passend weefsel.
Het UMC Utrecht heeft samen met betrokken weefselbanken een keten ingericht voor de selectie, bewaring, controle en het vervoer van het donorweefsel. Het gebruikte weefsel komt momenteel via een gespecialiseerde weefselbank in Spanje. Ook de Nederlandse weefselbank ETB-BISLIFE is bij de samenwerking betrokken.
Het uiteindelijke doel is om de volledige keten in Nederland te kunnen organiseren. Onderzoekers bekijken daarnaast of gezond kraakbeen en bot dat overblijft bij het plaatsen van een knieprothese geschikt kan worden gemaakt voor transplantatie. Dit zou de hoeveelheid beschikbaar donorweefsel kunnen vergroten.
Revalidatie duurt zes tot twaalf maanden
Na de operatie moet het transplantaat voldoende tijd krijgen om vast te groeien. De eerste acht weken loopt de patiënt met krukken. De belasting en oefeningen worden daarna stapsgewijs uitgebreid onder begeleiding van het behandelteam.
Na ongeveer drie maanden hebben veel patiënten in het dagelijks leven weinig of geen klachten meer. Terugkeer naar sport duurt langer. Afhankelijk van de patiënt, het letsel en het herstel kan sporten na ongeveer zes tot twaalf maanden weer mogelijk zijn.
Fysiotherapie speelt een belangrijke rol in het herstel. De behandeling richt zich onder meer op het verbeteren van de beweeglijkheid, spierkracht, stabiliteit, coördinatie en belastbaarheid van de knie. Te snelle belasting kan het herstel verstoren, terwijl te weinig beweging kan leiden tot krachtsverlies en stijfheid.
Goede afstemming tussen orthopedisch chirurg, fysiotherapeut en patiënt is daarom noodzakelijk. Het revalidatieprogramma moet aansluiten op de plaats en omvang van het transplantaat en op de voortgang van de botingroei.
Internationale resultaten zijn gunstig
In de Verenigde Staten wordt de bot-kraakbeentransplantatie al tientallen jaren uitgevoerd. Volgens internationale ervaringen merkt ongeveer drie op de vier patiënten tien jaar na de operatie nog verbetering.
Het resultaat verschilt echter per patiënt. De behandeling geeft geen garantie op volledig herstel. Het transplantaat kan onvoldoende vastgroeien, de klachten kunnen terugkeren of er kan opnieuw een operatie nodig zijn. Ook kunnen de algemene risico’s van een operatie optreden.
Zorgvuldige patiëntselectie is daarom belangrijk. Ook de kwaliteit, maatvoering en opslagduur van het donorweefsel kunnen invloed hebben op het uiteindelijke resultaat.
Patiëntenzorg wordt gekoppeld aan onderzoek
De start van de behandeling in Nederland is tegelijk het begin van verder klinisch onderzoek. Het UMC Utrecht wil beter vaststellen welke eigenschappen van de patiënt en het donorweefsel samenhangen met een goed herstel.
De onderzoekers bestuderen onder meer:
- de reactie van het afweersysteem op het donorweefsel;
- de levensvatbaarheid van de kraakbeencellen;
- de ingroei van het donorbot;
- de invloed van bewaartijd en opslagmethode;
- pijn, functioneren en terugkeer naar werk en sport;
- de resultaten op langere termijn.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met ETB-BISLIFE, ReumaNederland, Health Holland, PIRCHE AG en Operatie & Zorg. ReumaNederland en Health Holland financieren het onderzoek. Vanuit het UMC Utrecht zijn onder anderen orthopedisch chirurg Roel Custers, universitair docent Jasmijn Korpershoek, orthopedisch chirurg Daniel Saris, promovendus Fianne Lissendorp en onderzoeker Eric Spierings betrokken.
Voorlopig enkele tientallen behandelingen per jaar
Het UMC Utrecht verwacht de operatie voorlopig bij enkele tientallen patiënten per jaar te kunnen uitvoeren. De beperkte beschikbaarheid van passend donorweefsel vormt daarbij de belangrijkste beperking.
Patiënten hebben een verwijzing nodig. Een huisarts of behandelend orthopedisch chirurg kan een patiënt verwijzen naar de Mobility Clinic van het UMC Utrecht. Daar beoordeelt een gespecialiseerd team of een bot-kraakbeentransplantatie geschikt is.
In 2026 en 2027 vergoeden alle zorgverzekeraars behalve Salland de behandeling in het UMC Utrecht. Voor de periode daarna heeft het ziekenhuis een nieuwe vergoeding aangevraagd bij de Nederlandse Zorgautoriteit. Patiënten wordt geadviseerd de vergoeding vooraf bij hun zorgverzekeraar te controleren.
Nieuwe mogelijkheid tussen celtherapie en knieprothese
Met de introductie van de bot-kraakbeentransplantatie ontstaat in Nederland een extra behandeloptie voor jonge en actieve patiënten met complexe knieschade. De behandeling vult het bestaande aanbod aan tussen kleinere kraakbeenherstellende ingrepen en het plaatsen van een knieprothese.
De techniek kan mogelijk helpen om pijn te verminderen, functioneren te verbeteren en een knieprothese uit te stellen. De komende jaren moeten de Nederlandse behandelresultaten duidelijk maken welke patiënten het meeste voordeel hebben en hoe de beschikbaarheid van geschikt donorweefsel kan worden vergroot.
Voor zorgprofessionals betekent de behandeling dat herkenning, verwijzing, patiëntselectie, weefsellogistiek en langdurige revalidatie nauw op elkaar moeten aansluiten. Alleen met een goed georganiseerde keten kan het levende donorweefsel op tijd worden gebruikt en kan de patiënt veilig terugkeren naar dagelijkse activiteiten, werk en sport.









