Google
Sneller bij het fysionieuws dat ertoe doet
Stel Fysionieuws.nl in als voorkeursbron en je vindt ons nieuws altijd terug in Google.
Instellen →

De financiële positie van fysiotherapiepraktijken is op meerdere punten verbeterd. De omzet groeit, meer praktijkhouders kunnen zichzelf een inkomen boven het minimumloon uitkeren en het weerstandsvermogen is toegenomen. Tegelijkertijd blijft de winstgevendheid achter, daalt de werkgelegenheid en ervaren praktijkhouders veel stress. Daarnaast verwacht 45 procent van de praktijkhouders binnen drie jaar behoefte te hebben aan een fysiotherapie-assistent.

- tekst gaat verder na deze advertentie -


FysioVacature, de vacaturesite voor de fysiotherapeut

Dat blijkt uit de zevende Kleinbedrijf Index Fysiotherapie over kwartaal 4 van 2025. Het rapport is opgesteld door VvAA en Hogeschool Utrecht, met ondersteuning van Stichting Keurmerk Fysiotherapie, het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie en de Werkgeversvereniging Fysiotherapie.

Omzet groeit voor zevende kwartaal op rij

De omzet van fysiotherapiepraktijken is voor het zevende kwartaal achter elkaar toegenomen. Van de onderzochte praktijken realiseert 97 procent een omzet van meer dan 5.000 euro per maand. In kwartaal 4 van 2024 was dit 92 procent en in kwartaal 4 van 2023 ging het om 90 procent.

De omzetindex ligt ook duidelijk hoger dan in het overige midden- en kleinbedrijf. Daar heeft 75 procent van de ondernemers een maandelijkse omzet van meer dan 5.000 euro.

De helft van de fysiotherapiepraktijken heeft een omzet tussen 25.000 en 100.000 euro per maand. Het aandeel praktijken met een omzet van meer dan 100.000 euro per maand steeg van 17 procent in kwartaal 2 van 2025 naar 21 procent in kwartaal 4 van 2025.

Voor de komende periode verwacht 26 procent van de praktijkhouders verdere omzetgroei. Een meerderheid van 57 procent denkt dat de omzet ongeveer gelijk blijft.

Afhankelijkheid van zorgverzekeraars blijft groot

Gemiddeld komt 83 procent van de praktijkomzet uit zorgverzekeringscontracten. Dat aandeel bedroeg 82 procent in kwartaal 2 van 2025, 81 procent in kwartaal 4 van 2024 en 82 procent in kwartaal 4 van 2023.

Van de praktijkhouders beschikt 41 procent over een contract dat voldoet aan de hoogste eisen van een zorgverzekeraar. Dat is meer dan de 37 procent in de vorige meting en de 30 procent in kwartaal 4 van 2024. Het aandeel praktijken met een contract met lagere eisen daalde in dezelfde periode van 65 naar 56 procent.

De cijfers laten zien dat fysiotherapiepraktijken nog altijd sterk afhankelijk zijn van gecontracteerde zorg. Dat maakt de hoogte van de behandeltarieven en de voorwaarden van zorgverzekeraars belangrijk voor de financiële ruimte van praktijken.

Meer omzet leidt niet automatisch tot een hogere marge

De omzetontwikkeling is positief, maar de nettomarge blijft achter. Slechts 19 procent van de fysiotherapiepraktijken behaalt een nettomarge van meer dan 20 procent. In het overige midden- en kleinbedrijf geldt dit voor 30 procent van de ondernemers.

In kwartaal 2 van 2025 behaalde 14 procent van de praktijken een nettomarge boven de 20 procent. Er is dus sprake van herstel. Vergeleken met eerdere jaren blijft het resultaat echter laag. In kwartaal 4 van 2024 ging het om 22 procent en in kwartaal 4 van 2023 om 26 procent.

Van de praktijken behaalt 10 procent een nettomarge tussen 21 en 30 procent. Nog eens 9 procent komt boven de 30 procent uit. Een grote groep van 36 procent houdt een nettomarge tussen 5 en 10 procent over.

De vestigingsplaats lijkt verschil te maken. In dorpen en kleine steden behaalt 23 procent van de praktijken een nettomarge boven de 20 procent. In grotere woonomgevingen is dat 14 procent. Ook in het rapport over 2023 kwam naar voren dat praktijken in kleinere plaatsen gemiddeld betere marges realiseerden.

Rekeningen worden vaker op tijd betaald

Van de praktijkhouders kan 83 procent de rekeningen binnen dertig dagen betalen. Dat is vrijwel gelijk aan de 84 procent uit de vorige meting en hoger dan de 77 procent in kwartaal 4 van 2024.

Het verschil met het overige midden- en kleinbedrijf is groot. Daar kan 59 procent van de ondernemers de rekeningen op tijd betalen.

Er bestaan verschillen tussen vestigingsplaatsen. In gebieden met minder dan 50.000 inwoners kan 78 procent van de praktijken de rekeningen tijdig betalen. In grotere woonomgevingen is dit 89 procent.

De verwachting voor het volgende kwartaal is minder gunstig. De verwachte betalingsindex daalde van plus 4 naar min 4. Dit betekent dat meer praktijkhouders een verslechtering dan een verbetering verwachten. In het overige midden- en kleinbedrijf staat deze index op plus 15.

Financiële weerbaarheid bereikt hoogste niveau

De weerstandsindex is gestegen van 32 procent in kwartaal 2 van 2025 naar 45 procent. Dit is het hoogste niveau sinds de start van de metingen. In kwartaal 4 van 2024 stond de index op 37 procent en in kwartaal 4 van 2023 op 43 procent.

De index geeft aan welk aandeel van de praktijken een solvabiliteit boven de 20 procent heeft. Een hogere solvabiliteit betekent dat een groter deel van de praktijk met eigen vermogen is gefinancierd.

De berekening is gebaseerd op 107 waarnemingen. Van de praktijkhouders weet 38 procent niet hoe hoog de solvabiliteit van de eigen praktijk is. Het rapport adviseert daarom meer aandacht te besteden aan financiële stuurinformatie.

Continuïteit daalt ondanks sterkere balans

Van de praktijkhouders geeft 77 procent aan voldoende middelen te hebben om de praktijk ten minste een half jaar voort te zetten. Dat is meer dan de 70 procent in het overige midden- en kleinbedrijf, maar minder dan bij eerdere metingen.

De continuïteitsindex stond in kwartaal 2 van 2025 en kwartaal 4 van 2024 op 81 procent. In kwartaal 4 van 2023 ging het om 83 procent. Over een periode van twee jaar is de index daarmee met 6 procentpunten gedaald.

Een vijfde van de praktijken heeft behoefte aan extra financiering. Het personeelstekort wordt steeds vaker als bedreiging voor de continuïteit genoemd. Dit aandeel steeg van 45 naar 57 procent. Ook een hoger ziekteverzuim wordt vaker genoemd, 34 procent tegenover 29 procent bij de vorige meting.

De invloed van gestegen kosten is juist afgenomen. In de vorige meting zag 52 procent de gestegen energiekosten en andere kosten als een probleem voor de continuïteit. In het nieuwe rapport gaat het om 36 procent.

Minder praktijkhouders verwachten te moeten stoppen

Slechts 2 procent van de praktijkhouders denkt de praktijk binnen een half jaar te moeten sluiten. In kwartaal 2 van 2025 ging het om 4 procent en in kwartaal 4 van 2024 om 5 procent.

De stakingsindex ligt daarmee op het laagste niveau binnen de onderzochte periode. In kwartaal 4 van 2023 verwachtte 3 procent binnen een half jaar te moeten stoppen.

Ondernemersinkomen stijgt verder

Van de praktijkeigenaren keert 87 procent zichzelf een inkomen boven het minimumloon uit. Dat is het hoogste percentage sinds kwartaal 4 van 2022. In kwartaal 4 van 2024 ging het om 81 procent en in kwartaal 4 van 2023 om 80 procent.

Het verschil met het overige midden- en kleinbedrijf is groot. Daar verdient 50 procent van de ondernemers meer dan het minimumloon.

Volgens het rapport keert 39 procent van de praktijkhouders zichzelf ten minste tweemaal modaal uit. Van de totale groep ontvangt 14 procent een inkomen tussen twee en drie keer modaal. Zeven procent komt uit op drie keer modaal of meer.

In combinatie met het inkomen van een partner geeft 95 procent aan financieel net of ruim uit te komen. Bij de vorige meting was dit 97 procent.

De armoede-index daalde naar 2 procent. Dat betekent dat 2 procent van de praktijkhouders zichzelf een inkomen onder het bijstandsniveau uitkeert. In kwartaal 4 van 2023 en kwartaal 4 van 2024 was dit nog 7 procent. In het overige midden- en kleinbedrijf ligt de armoede-index met 25 procent aanzienlijk hoger.

Stress onder praktijkhouders blijft stijgen

De verbeterde financiële positie heeft nog niet geleid tot minder stress. Praktijkhouders geven hun stress gemiddeld een score van 60 op een schaal van 100. In het overige midden- en kleinbedrijf is dat 48.

Het stressniveau binnen de fysiotherapie stijgt al enkele jaren. In kwartaal 4 van 2023 bedroeg de gemiddelde score 54. In kwartaal 4 van 2024 was dit 58 en in kwartaal 2 van 2025 kwam de score uit op 59.

Van de praktijkhouders ervaart 35 procent een hoog stressniveau. In het overige midden- en kleinbedrijf geldt dit voor 15 procent van de ondernemers. In 2023 meldde 29 procent van de fysiotherapiepraktijkhouders een hoge stressscore.

De combinatie van personeelstekorten, ziekteverzuim, lange werkdagen, administratieve verplichtingen en beperkte marges kan hierbij een rol spelen. Het rapport over kwartaal 2 van 2025 liet bovendien zien dat 79 procent van de praktijken sterk afhankelijk is van de praktijkhouder. Uitval van de eigenaar kan daardoor direct gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering.

Werkgelegenheid neemt af

De werkgelegenheidsindex voor fysiotherapiepraktijken is gedaald naar min 5. Dat betekent dat meer praktijken hun personeelsbestand verkleinden dan uitbreidden. In het overige midden- en kleinbedrijf staat de index op plus 5.

In kwartaal 2 van 2025 stond de werkgelegenheidsindex binnen de fysiotherapie nog op plus 1. In kwartaal 4 van 2024 was de score min 10 en in kwartaal 4 van 2023 plus 1.

Volgens de onderzoekers kan sprake zijn van een seizoenseffect. De werkgelegenheidsontwikkeling is bij meerdere metingen in het vierde kwartaal negatief, terwijl de cijfers in het tweede kwartaal vaker licht positief zijn.

Investeringsbereidheid herstelt sterk

Het aandeel praktijken dat meer dan 10 procent van de omzet investeert, is gestegen van 19 naar 27 procent. Daarmee ligt de innovatiequote voor het eerst sinds langere tijd boven de 23 procent van het overige midden- en kleinbedrijf.

In kwartaal 4 van 2024 bedroeg de innovatiequote 20 procent en in kwartaal 4 van 2023 was dit 25 procent. Het huidige percentage ligt dus ook boven het niveau van twee jaar geleden.

De verwachting voor toekomstige investeringen verbeterde sterk. De innovatieverwachting ging van min 29 naar min 1. De score ligt daarmee dicht bij een evenwicht tussen praktijken die meer en minder willen investeren. In kwartaal 4 van 2024 bedroeg de score min 18 en in kwartaal 4 van 2023 min 13.

De hogere innovatiequote betekent niet dat alle praktijken veel investeren. Van de praktijken investeert 41 procent minder dan 5 procent van de omzet. Het aandeel dat meer dan 25 procent van de omzet investeert, daalde bij de laatste meting van 6 naar 4 procent.

Ondernemersvertrouwen blijft laag

Het ondernemersvertrouwen binnen de eerstelijnsfysiotherapie staat op min 1. Dat is lager dan de plus 5 uit de vorige meting, maar veel beter dan de min 16 in kwartaal 4 van 2024.

In kwartaal 4 van 2023 stond de index eveneens op min 1. Over een periode van twee jaar is het vertrouwen dus nauwelijks veranderd. Ook in het overige midden- en kleinbedrijf is het vertrouwen laag. Daar daalde de index van plus 14 naar min 3.

Concurrentiedruk neemt af

De ervaren concurrentie binnen de gezondheidszorgmarkt is sterk afgenomen. De index daalde van plus 12 in kwartaal 2 van 2025 naar min 17 in kwartaal 4 van 2025.

In kwartaal 4 van 2024 bedroeg de score plus 1. De huidige score is gelijk aan die van kwartaal 4 van 2023. Praktijkhouders ervaren daardoor opnieuw vaker weinig dan veel concurrentie van andere zorgaanbieders.

De beoordeling van de eigen kwaliteit blijft hoog. Van de praktijkhouders zegt 59 procent naar verwachting te presteren en 37 procent boven verwachting. Samen is dat 96 procent. In kwartaal 4 van 2024 was dit 94 procent en in kwartaal 4 van 2023 97 procent.

Groeiende belangstelling voor fysiotherapie-assistent

Het themadeel van het rapport gaat over taakdelegatie en de inzet van de fysiotherapie-assistent. Ongeveer 20 procent van de praktijken heeft momenteel een fysiotherapie-assistent in dienst. De belangstelling voor deze functie is groter dan het huidige gebruik.

Op dit moment zegt 36 procent van de praktijkhouders behoefte te hebben aan een fysiotherapie-assistent. Voor de komende twaalf maanden loopt dit op naar 38 procent. Binnen drie jaar verwacht 45 procent behoefte te hebben aan deze medewerker. Het aandeel praktijkhouders dat geen behoefte ziet, daalt in dezelfde periode van 32 naar 21 procent.

De fysiotherapie-assistent kan, volgens de onderzoekers, onder verantwoordelijkheid van een fysiotherapeut onderdelen van een behandelprogramma begeleiden. De fysiotherapeut blijft verantwoordelijk voor diagnostiek, klinische besluitvorming, complexe behandelingen en het bewaken van de voortgang.

Vooral kansen buiten verzekerde zorg

Praktijkhouders zien de meeste financiële mogelijkheden bij niet-verzekerde diensten. Van de respondenten vindt 55 procent dit een geschikt verdienmodel voor de inzet van een fysiotherapie-assistent.

Daarbij kan worden gedacht aan preventieprogramma’s, beweeggroepen, leefstijlondersteuning, nazorg, zelfmanagement en groepsprogramma’s. Deze activiteiten kunnen naast de reguliere verzekerde fysiotherapie worden aangeboden.

Van de praktijkhouders ziet 38 procent mogelijkheden om de fysiotherapie-assistent binnen bestaande behandeltarieven in te zetten. Slechts 24 procent ziet voldoende in een nieuw en afzonderlijk verrichtingentarief voor assistenten. Meer dan de helft wijst zo’n apart tarief af.

Volgens de onderzoekers biedt dit kansen voor hybride bedrijfsmodellen. Een praktijk combineert dan verzekerde behandelingen met preventie, leefstijlondersteuning en andere niet-verzekerde diensten. De fysiotherapie-assistent kan binnen zo’n model een deel van de begeleiding uitvoeren.

Duidelijke taken en verantwoordelijkheden nodig

Praktijkhouders stellen duidelijke voorwaarden aan taakdelegatie. Van de respondenten vindt 76 procent heldere instructies en verwachtingen belangrijk. Voor 74 procent moeten taken aansluiten bij de opleiding en competenties van de assistent. Ook procedures voor rapportage en overdracht, 73 procent, en eenduidige dossiervoering, 72 procent, krijgen veel steun.

Een vastgelegd competentieprofiel wordt door 76 procent belangrijk gevonden. Daarnaast wil 74 procent een duidelijk professioneel handelingskader en vindt 70 procent een gestandaardiseerde rolbeschrijving nodig.

Ook scholing en begeleiding spelen een belangrijke rol. Een inwerkprogramma wordt door 73 procent belangrijk gevonden. Competiegerichte training en mentorschap of supervisie krijgen beide steun van 67 procent van de respondenten.

Teamcultuur krijgt hoogste waardering

De hoogste percentages uit het onderzoek gaan over samenwerking. Een samenwerking op basis van respect wordt door 89 procent belangrijk gevonden. Voor open communicatie geldt een percentage van 88 procent. Gelijke ontwikkelmogelijkheden voor teamleden krijgt steun van 84 procent.

Deze uitkomsten laten zien dat taakdelegatie niet alleen een personeels- of financieel vraagstuk is. Fysiotherapeuten en assistenten moeten elkaar vertrouwen, informatie delen en elkaars rol respecteren.

Patiëntveiligheid blijft verantwoordelijkheid fysiotherapeut

Geschikte patiëntselectie wordt door 81 procent van de praktijkhouders als belangrijke voorwaarde genoemd. Tijdige opschaling bij complexe situaties volgt met 80 procent. Voor 78 procent moet vooraf duidelijk zijn welke taken veilig kunnen worden gedelegeerd.

Patiënten moeten bovendien weten door wie zij worden behandeld. Van de respondenten vindt 80 procent het belangrijk dat patiënten worden geïnformeerd wanneer een assistent een deel van de behandeling uitvoert. Actieve uitleg over de rol en bevoegdheden van de assistent wordt door 73 procent belangrijk gevonden.

Het meten van patiënttevredenheid, veiligheid en behandeluitkomsten krijgt met 56 procent minder steun dan de voorwaarden rond communicatie en patiëntselectie. Een meerderheid vindt evaluatie echter nog steeds belangrijk.

Kansen en aandachtspunten voor praktijkhouders

De nieuwe index toont een gemengd beeld. De omzet, betalingspositie, het ondernemersinkomen en de financiële weerbaarheid zijn verbeterd. Ook de investeringsbereidheid herstelt. De nettomarges blijven echter lager dan in voorgaande jaren en de continuïteitsindex daalt.

Voor praktijkhouders betekent dit dat omzetgroei alleen niet voldoende is. Het blijft nodig om per contract, behandellocatie en zorgproduct te berekenen welke marge overblijft. Ook personeelskosten, indirecte tijd, huisvesting en administratieve lasten moeten in die berekening worden meegenomen.

Taakdelegatie kan bijdragen aan een andere verdeling van werkzaamheden, maar vraagt eerst om een duidelijke bedrijfs- en kwaliteitsstructuur. Een praktijk moet vastleggen welke patiënten en taken geschikt zijn, wie toezicht houdt, wanneer de fysiotherapeut wordt ingeschakeld en hoe verslaglegging en evaluatie plaatsvinden.

De fysiotherapie-assistent lijkt vooral kansen te bieden bij preventie, leefstijl, beweegprogramma’s en nazorg. Daarmee kan de functie zowel de fysiotherapeut ontlasten als nieuwe dienstverlening mogelijk maken. Of dat financieel haalbaar is, hangt af van de personeelskosten, beschikbare tarieven, bezetting en daadwerkelijke vraag van patiënten, gemeenten en werkgevers.

Resultaten zijn indicatief

Voor het rapport zijn 173 fysiotherapiepraktijken onderzocht. Daarvan hadden 143 praktijken meerdere fysiotherapeuten en waren 30 praktijken zonder personeel. De vragenlijst werd tussen 6 en 31 mei 2026 ingevuld.

De samenstelling van het onderzoek verschilt van eerdere edities. Voor het rapport over kwartaal 4 van 2023 werden 447 praktijken onderzocht. De meting over kwartaal 2 van 2025 omvatte 154 praktijken. De onderzoekers kunnen door het ontbreken van actuele landelijke gegevens niet vaststellen of de deelnemers representatief zijn voor alle Nederlandse fysiotherapiepraktijken. De uitkomsten en ontwikkelingen moeten daarom als indicatief worden gezien.

Bronnen: Kleinbedrijf Index Fysiotherapie Q4 2025, zevende editie, augustus 2026. Kleinbedrijf Index Fysiotherapie Q2 2025, zesde editie, februari 2026. Kleinbedrijf Index Fysiotherapie Q4 2023, derde editie, juni 2024.