Beslissing in de zaak onder nummer C2012.010 van:

- tekst gaat verder na deze advertentie -


FYGO Uitzendbureau voor de fysiotherapeut

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., fysiotherapeut, werkzaam te B., wonende te D., verweerder in beide instanties.

1.Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 25 maart 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de fysiotherapeut – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 november 2011, onder nummer 1156, heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht voor zover die betrekking heeft op osteopathie en de klacht voor het overige ongegrond verklaard en afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De fysiotherapeut heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 juni 2013, waar is verschenen de fysiotherapeut, vergezeld van E., een collega. Klager is niet verschenen.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Op 3 en 10 januari 2011 is klager in de praktijk van verweerder behandeld. Klager was al onder behandeling van een mesoloog. Na de tweede behandeling heeft verweerder besloten de behandeling te stoppen en klager aangeraden de mesoloog bij wie hij onder behandeling was te raadplegen.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerder het navolgende:

  • verweerder heeft hem expres letsel toegebracht;
  • verweerder heeft hem expres veel pijn bezorgd;
  • verweerder toont zich niet verantwoordelijk voor zijn daden;
  • verweerder is onverantwoord bezig en wil niet van zijn fouten leren, aangezien hij de schuld legt bij de allergie van klager;
  • verweerder heeft agressie op klager uitgeoefend.

Klager licht zijn klacht – kort en zakelijk weergegeven – als volgt toe.

De reden van zijn bezoek aan verweerder was rugklachten. Na de behandeling zijn die klachten zo toegenomen dat hij nu gebogen staat en niet meer goed recht kan staan. Klager heeft blaasklachten, terwijl hij daar nog nooit last van heeft gehad. Zijn buik is misvormd, er is een gat boven zijn navel en zijn onderbuik is gezwollen. Verweerder heeft gezegd dat er sprake kan zijn van allergie, maar klager vindt dat onzin. De mesoloog die hem behandelde voor zijn darmen, heeft hem doorverwezen naar osteopathie. Verweerder, die osteopathie toepaste, is veel te hard en te diep in zijn buik gegaan.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder is van mening dat hij niet fout heeft gehandeld. Hij bestrijdt dat hij klager expres letsel zou hebben toegebracht en veel pijn zou hebben bezorgd. Hij is er juist voor om mensen te helpen. Sommige handgrepen kunnen wel als pijnlijk worden ervaren, maar alle onderzoeks- en behandeltechnieken waren in het belang van het behandelproces. Verweerder was juist heel verantwoord bezig door de behandeling te stoppen toen hij zich realiseerde dat hij de osteopathische technieken die hij wilde toepassen, onvoldoende beheerste en door klager te verwijzen naar een osteopaat, mesoloog en huisarts. Verweerder heeft het niet over allergie gehad, maar over intolerantie. Van agressie is geen sprake geweest. Het respect voor de patiënt staat bij verweerder hoog in het vaandel.

5. De overwegingen van het college

Naast zijn werk als fysiotherapeut volgt verweerder sinds september 2006 een opleiding tot osteopaat.  Voor zover de klacht handelingen betreft welke verweerder als osteopaat in opleiding heeft verricht, geldt dat klager in zijn klacht niet kan worden ontvangen, nu verweerder als osteopaat niet BIG –geregistreerd is.

Wat betreft het handelen als fysiotherapeut is het college van oordeel dat klager zijn klachten niet heeft onderbouwd. Klager noemt vele klachten over dan wel als gevolg van enig handelen door verweerder, maar verweerder heeft de klachten gemotiveerd bestreden.

De klachten zijn niet verifieerbaar gebleken. Zelfs een verklaring van de mesoloog, bij wie hij onder behandeling is, ontbreekt.

Wel is duidelijk dat verweerder de behandeling heeft beëindigd en klager heeft verwezen naar zijn mesoloog, een osteopaat dan wel zijn huisarts.

Het college is dan ook van oordeel dat de klacht als kennelijk ongegrond behoort te worden afgewezen.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.

4.2 De fysiotherapeut heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege begrijpt de klacht van klager aldus dat de fysiotherapeut verweten wordt dat de wijze waarop hij klager heeft behandeld niet juist is geweest waardoor de klachten van klager zijn toegenomen in plaats van afgenomen.

4.4 Ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft de fysiotherapeut verklaard dat hij osteopaat in opleiding is en dat hij in het najaar van 2013 hoopt af te studeren. Tevens heeft hij verklaard dat op het naambordje bij de ingang van de praktijk staat dat hij aldaar als fysiotherapeut werkzaam is. Vast staat dat klager de fysiotherapeut heeft bezocht na eerst bij een mesoloog onder behandeling te zijn geweest, maar zonder verwijzing van een arts vanwege lage rugklachten. Uit de in het geding gebrachte journaalgegevens blijkt dat het op 3 januari 2011 verrichte onderzoek bij klager zowel fysiotherapeutisch als osteopatisch van aard is geweest. De fysiotherapeut heeft in diezelfde journaalgegevens een fysiotherapeutische conclusie genoteerd “SI-blokkade, mogelijk leidend tot verhoogde myogene spanning WK en verhoogde myofasciale spanning li been.”  Ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft de fysiotherapeut tevens verklaard dat hij osteopatische technieken heeft geïntegreerd in de fysiotherapeutische behandelingen van klager, dat hij klager hiervoor niet om toestemming heeft gevraagd en dat hij deze behandelingen bij de zorgverzekeraar van klager heeft gedeclareerd als fysiotherapeutische behandelingen.

4.5 Gelet op het voorgaande is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de setting waarin de fysiotherapeut de twee behandelingen van klager heeft verricht fysiotherapeutisch van aard is geweest. Hij heeft als fysiotherapeut gehandeld en daarom zal de klacht van klager, anders dan het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld heeft, in dat kader  beoordeeld worden. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

4.6 De fysiotherapeut heeft ten aanzien van het eerste bezoek van klager aan hem op 3 januari 2011 het volgende aangevoerd. Tijdens het onderzoek bij klager constateerde de fysiotherapeut een afgevlakte lordose lumbaal, een versterkte kyfose thoracaal en een opgezette onderbuik. Hij heeft gekeken naar rode vlaggen en naar de mobiliteit van enkele regio’s. De spierkracht was 4 of 5 en niet evident om de behandeling te stoppen. Hij vond een SIG-blokkade (sacro-iliacaal gewricht) links. De myofasciale spanning in het linker been was groter dan in het rechter been. Naar aanleiding van deze onderzoeken was het volgens de fysiotherapeut niet duidelijk wat de oorzaak van de rugklachten kon zijn. Een SIG-blokkade kon hierin volgens hem een rol spelen, maar hij had te weinig informatie voor het stellen van een goede, complete diagnose en voor het opstellen voor een behandelplan. Op dat moment besloot hij om de viscerale technieken uit de osteopathie erbij te betrekken, omdat hij wilde onderzoeken of de mogelijke spanning rond de buikorganen een invloed kon hebben op enerzijds de SIG-blokkade en anderzijds op de myogene spanning van de rugmusculatuur. Hiertoe heeft hij de algemene tensie van de buikinhoud bepaald en voorts heeft hij gekeken naar de spanning rond de maag, het duodendum, het intestinum, het colon, de lever, de galblaas en de nieren. Tevens heeft hij de myotensieve spanning van het middenrif onderzocht. Zijn conclusie was dat er sprake was van een te hoge tensie ter hoogte van de dunne darm, het caecum en het sigmoïd en in de regio rond de pylorus/galblaas. Vanwege de nauwe relatie van het caecum en het sigmoïd met het rechter en het linker SIG wilde hij verder bezien of er een relatie bestond tussen de spanning rond deze viscerale structuren en de blokkade van het linker SIG. Na het uitvoeren van inhibitietesten kwam hij tot de conclusie dat het beïnvloeden van het sigmoïd leidde tot een positief effect op het linker SIG. Hij besloot toen om tijdens deze behandeling het sigmoïd te behandelen. Aan het einde van de behandeling heeft hij nogmaals de SIG getest en ondervond hij dat het linker SIG vrij was.

4.7 Ten aanzien van de tweede behandeling van klager op 10 januari 2011 heeft de fysiotherapeut verklaard dat klager hem vertelde na de eerste behandeling meer last te hebben gekregen van zijn rug en buik en dat dit de hele week had aangehouden. Vervolgens heeft de fysiotherapeut klager opnieuw onderzocht en vond hij opnieuw een mobiliteitsbeperking van het linker SIG en was de algehele tensie van de buik nauwelijks veranderd. De spanning rond het sigmoïd was minder geworden en de myogene spanning van de rugmusculatuur bleek onveranderd. Bij het onderzoeken van de galblaas ondervond hij grote spanning en was de mobiliteit daarvan beperkt. Op het moment dat hij de galblaas wilde  behandelen, besefte hij dat hij de technieken hiertoe onvoldoende beheerste en wilde hij deze daarom niet uitvoeren. Op dat moment besloot hij de behandeling te stoppen en heeft hij voorgesteld dat klager contact zou opnemen met de mesoloog en zijn huisarts en voorts om de behandeling gedurende een à twee weken stil te leggen om af te wachten. Hij heeft klager aangeraden om bij het uitblijven van verbetering naar een osteopaat in F. te gaan.

4.8 Vast staat derhalve dat klager op 3 januari 2011 zonder verwijzing van een arts de fysiotherapeut heeft bezocht vanwege lage rugklachten, dat de fysiotherapeut hem vervolgens op die dag een behandeling heeft gegeven en dat op 10 januari 2011 een tweede en tevens laatste behandeling heeft plaatsgevonden. Uit de journaalgegevens en uit de verklaring van de fysiotherapeut volgt dat de fysiotherapeut op 3 januari 2011 een anamnese heeft afgenomen bij klager, dat hij klager zowel fysiotherapeutisch als osteopatisch heeft onderzocht en dat hij zijn bevindingen heeft genoteerd. Bij ‘behandeling’ heeft de fysiotherapeut weergegeven: *Sigmoïd → SI li vrij (vorlauf/ rücklauf – )*± 1 week tot de volgende behandeling.” Uit de journaalgegevens van 10 januari 2011 blijkt dat klager meer last van zijn rug heeft gekregen en dat hij de hele week buikklachten heeft gehad. Tevens blijkt hieruit dat de behandeling van klager wordt stopgezet, dat hij doorverwezen dient te worden naar de osteopaat en terugverwezen naar de huisarts en de mesoloog.

4.9 De KNGF- richtlijn Lage- rugpijn (2005) (hierna: de richtlijn) bevat een beschrijving van het fysiotherapeutisch diagnostisch en therapeutisch proces bij patiënten met lage rugpijn. De richtlijn, niet zijnde een wettelijk voorschrift, gaat uit van een verwijzing door een huisarts of een neuroloog en bevat op wetenschappelijke onderzoeksresultaten gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk zijn gebaseerd op de “gemiddelde patiënt”, moeten zorgverleners op basis van hun professionele autonomie afwijken van de richtlijn als de situatie van de patiënt dat vereist. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken dient dit te worden beargumenteerd en gedocumenteerd.

4.10 Op basis van de richtlijn dient de fysiotherapeut in het diagnostisch proces de aanmelding door te nemen, een anamnese af te nemen, onderzoek te verrichten, een analyse te maken en een behandelplan op te stellen. In het therapeutisch proces dient de therapeut vervolgens te behandelen, informatie en advies te geven, functies en activiteiten te oefenen, te evalueren en af te sluiten met verslaggeving en verslaglegging. De fysiotherapeut heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het fysiotherapeutisch onderzoek bij klager de oorzaak van de klachten van klager niet kon duiden en dat hij te weinig informatie had voor het stellen van een goede en complete diagnose en voor het opstellen van een behandelplan. In plaats van zich (conform bedoelde richtlijn) de vraag te stellen of er in het geval van klager sprake was van een indicatie voor fysiotherapie en of klager volgens de richtlijn moest worden behandeld, heeft de fysiotherapeut  besloten om de viscerale technieken uit de osteopathie erbij te betrekken, osteopatisch onderzoek te doen en heeft hij klager uiteindelijk osteopatisch behandeld. Dit laatste zonder dat gebleken is dat klager hiermee heeft ingestemd dan wel dat hij klager van zijn besluit op de hoogte heeft gesteld. Daarbij laat het Centraal Tuchtcollege nog in het midden of de fysiotherapeut, die nog in opleiding tot osteopaat was, voldoende bekwaam was deze behandeling uit te voeren. Voorts staat vast dat hij heeft nagelaten om een door de richtlijn voorgeschreven behandelingsplan op te stellen en dat hij na het stopzetten van de behandeling, het sturen van een eindverslag aan de huisarts achterwege heeft gelaten.

4.11  Ter terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege heeft de fysiotherapeut verklaard dat hij is afgeweken van de richtlijn om klager zo goed mogelijk te kunnen behandelen en om hem van de pijn af te helpen. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege is deze argumentatie in het onderhavige geval onvoldoende om het afwijken van de richtlijn te rechtvaardigen. Nu overige argumenten niet zijn aangevoerd en het afwijken van de richtlijn evenmin gedocumenteerd is, heeft de fysiotherapeut niet naar behoren gehandeld.

4.12 De conclusie is dat de fysiotherapeut niet lege artis heeft gehandeld. Hij is tekortgeschoten in de zorg die hij als fysiotherapeut onder de gegeven omstandigheden jegens klager had behoren te betrachten. Dienaangaande valt hem dan ook een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De slotsom is dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege wordt vernietigd en dat het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog gegrond verklaart. Het Centraal Tuchtcollege acht de gedragingen van de fysiotherapeut dusdanig ernstig dat een berisping de aangewezen maatregel is.

4.13  Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie worden gelast van deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de klacht alsnog gegrond

legt de maatregel van een berisping op;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, FysioPraxis en Medisch Contact, met het verzoek tot plaatsing.

Bron: overheid.nl

Advertentie:bezoek fysiovacature.nl

3 REACTIES

  1. Beste mensen,

    Het staat buiten kijf dat richtlijnen ivm met “lage rugpijn” (LRP) naar de hand van het KNGF, tot de meest precieze ter wereld zijn. Gelukkige Nederlanders….

    Maar het toepassen van een klinisch onderzoek EN het daaropvolgend interpreteren van een “eenvoudige” LRP is niet zo evident als het lijkt! Zowel de geneeskunde & fysiotherapie alsook de osteopathie als de manuele therapie hebben ook zo hun eigen denkfouten. Men dient bvb maar eens na te gaan wat een “gerefereerde pijn” werkelijk betekent!

    Het is in dit onderzoek ook niet duidelijk wat de juiste psychosociale achtergrond is van deze patiënt.

    Is het een neurotisch geval ?? Of is het een eerder een zaak voor een internist met duidelijke structurele & functiestoornissen van de ingewanden?
    Daar dient inderdaad de osteopaat -in spe- hoe dan ook eerst te rade gaan (een telefoon is ook goed?) bij de huisarts van betrokken patiënt. Anders blijf je afwachten. De poging van de therapeut was er wel, maar blijkbaar té laat: de patiënt diende een klacht in.

    Besluit: de klacht is juist (ontvankelijk) maar wel overroepen en dus niet voor een sanctie vatbaar (vrijspraak en geen tuchtmaatregel …enkel een berisping).

    Hopelijk is het maar een storm in een wijwater, niet?

    Met vriendelijke groeten,

    Andre Farasyn PhD PT DO
    Dr. bewegingswetenschappen Vrije Universiteit Brussel (VUB)

    • Jammer dat men vooral naar verslaglegging kijkt en het verhaal van beiden. Jammer omdat hier niet achterhaald wordt wat nu de werkelijke aard van rugklachten was. De meeste van die klachten zijn aspecifiek.
      Wel blijkt uit dit verhaal hoe belangrijk het vastleggen van gegevens is! En hoe kwetsbaar we kunnen worden als we dit niet structureel dus bij elke patient gebeurt. Ik ben benieuwd welk percentage van de collegas 100% verslaglegging behaald en daarbij ook uitleg van keuzes a/d patient rapporteert.

  2. Als ik het goed begrijp is de berisping gebaseerd op het feit dat verweerder osteopathisch heeft gehandeld onder de vlag van fysiotherapie?

Reacties zijn gesloten.