Google
Sneller bij het fysionieuws dat ertoe doet
Stel Fysionieuws.nl in als voorkeursbron en je vindt ons nieuws altijd terug in Google.
Instellen →

Steeds meer patiënten maken rechtstreeks een afspraak bij de fysiotherapeut. In 2025 begon ruim 76 procent van de patiënten zonder verwijzing aan een behandeltraject. In 2021 was dit nog iets minder dan 72 procent. Tegelijkertijd worden fysiotherapiepatiënten gemiddeld ouder en stijgt het aandeel terugkerende klachten. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van Nivel over de eerstelijnsfysiotherapie.

- tekst gaat verder na deze advertentie -


FysioVacature, de vacaturesite voor de fysiotherapeut

Het rapport Zorg door de fysiotherapeut bevat gegevens van ruim 1,25 miljoen patiënten. Zij werden in 2025 behandeld door 8.057 fysiotherapeuten. De onderzoekers analyseerden gegevens uit 556 fysiotherapiepraktijken, zes oefentherapiepraktijken en vijf andere typen praktijken, waaronder gezondheidscentra.

In totaal werden bijna 1,26 miljoen nieuwe behandelepisodes en bijna 1,2 miljoen afgesloten behandelepisodes onderzocht. De cijfers geven inzicht in de patiëntenpopulatie, de meest voorkomende klachten, de toegang tot fysiotherapie, de behandelduur, het aantal behandelingen en de geregistreerde behandelresultaten.

Directe toegang blijft groeien

In 2025 kwam 76,3 procent van de patiënten op eigen initiatief naar de fysiotherapeut. In 2021 ging het om 71,7 procent. Het aandeel directe toegang is in alle leeftijdsgroepen toegenomen.

De verschillen tussen leeftijdsgroepen blijven groot. Van de patiënten tussen 18 en 44 jaar kwam 86,1 procent zonder verwijzing. Bij kinderen van 5 tot en met 17 jaar was dat 82,6 procent. Onder patiënten van 85 jaar en ouder maakte 46,4 procent gebruik van directe toegang. Bij kinderen tot en met vier jaar ging het om 46,6 procent.

Wanneer patiënten wel met een verwijzing kwamen, was de huisarts in 55,8 procent van de gevallen de verwijzer. Dat aandeel daalde sinds 2021. Toen kwam 63,3 procent van de verwezen patiënten via de huisarts.

Het aandeel verwijzingen door medisch specialisten nam juist toe. In 2021 was 28,8 procent van de verwijzingen afkomstig van een medisch specialist. In 2025 was dat 36,4 procent.

De cijfers wijzen op een sterkere zelfstandige positie van de fysiotherapeut binnen de eerste lijn. Vooral jongeren en volwassenen tot 65 jaar weten de fysiotherapiepraktijk rechtstreeks te vinden. Bij zeer jonge kinderen en ouderen blijft de huisarts of medisch specialist vaker betrokken bij de toegang tot de behandeling.

Bij patiënten die rechtstreeks naar de fysiotherapeut kwamen, werd in 1,1 procent van de screenings een niet-pluissituatie geregistreerd. Deze patiënten werden terugverwezen. Dit percentage veranderde de afgelopen jaren nauwelijks.

Lage rug en nek voeren klachtenlijst aan

Klachten aan de lage rug en nek zijn nog altijd de belangrijkste redenen voor een bezoek aan de fysiotherapeut. In 2025 ging 11,2 procent van de nieuwe behandelepisodes over spier-, pees- of fascieaandoeningen aan de lage rug. Nekklachten binnen dezelfde categorie waren goed voor 9,5 procent.

Daarna volgden klachten aan de schouder of bovenarm met 7,5 procent en knieklachten met 5,9 procent. Bekkenklachten stonden met 3,5 procent op de vijfde plaats.

De verdere top tien bestond uit klachten aan de borstwervelkolom, heup, enkel, hoofd en hals en gecombineerde klachten aan knie, onderbeen of voet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten wacht enige tijd voordat zij hulp zoekt. Bij 34,5 procent van de nieuwe behandelepisodes bestonden de klachten tussen de drie en twaalf weken. Bij 29,3 procent ging het om klachten die maximaal twee weken aanwezig waren. Ruim 12 procent van de patiënten had de klacht al langer dan een jaar.

Bij 35,8 procent waren de functioneringsproblemen vóór de eerste behandeling toegenomen. In 26 procent hadden de klachten een wisselend karakter. Bij 19,5 procent waren de klachten al afgenomen en bij 18,8 procent waren ze niet veranderd.

Meer terugkerende klachten

Het aandeel nieuwe behandelepisodes met een terugkerende klacht nam duidelijk toe. In 2021 ging het bij 15,6 procent om een recidief. In 2025 was dat 22,4 procent.

Het rapport geeft geen verklaring voor deze stijging. Een klacht telt als recidief wanneer de fysiotherapeut dit registreert of wanneer dezelfde diagnosecode na een behandelvrije periode van minstens vier weken en maximaal twee jaar opnieuw wordt gebruikt.

Ook de verwachtingen bij de start van de behandeling veranderden. Bij 61,7 procent van de geregistreerde prognoses verwachtte de fysiotherapeut volledig herstel. In 2021 was dit nog 66,3 procent.

Het aandeel behandelingen waarbij vermindering van klachten het verwachte resultaat was, steeg van 28,1 procent in 2021 naar 34,1 procent in 2025. Bij 3 procent was de verwachting gericht op stabilisatie, behoud van het functioneren of het beperken van verdere achteruitgang.

Nivel noemt de veranderde prognoses een onderwerp voor vervolgonderzoek. Een mogelijke verklaring is dat fysiotherapeuten vaker patiënten met chronische of complexere gezondheidsproblemen behandelen. Het rapport stelt niet vast of dit daadwerkelijk de oorzaak is.

Vaker verwachting van kort behandeltraject

Bij de start van de behandeling kan de fysiotherapeut vastleggen hoeveel behandelingen naar verwachting nodig zijn. Het aandeel episodes met een prognose van maximaal zes behandelingen nam toe van 18,5 procent in 2021 naar 31,4 procent in 2025.

Het aandeel met een verwachting van zeven tot twaalf behandelingen daalde van 34,4 naar 32,2 procent. Bij 22,6 procent werden meer dan achttien behandelingen verwacht. In 2021 gold dat nog voor 32,5 procent.

Bij 6,6 procent van de geregistreerde prognoses werd het behandeltraject als chronisch aangemerkt. Dat was in 2021 nog 3 procent.

Deze ontwikkeling moet voorzichtig worden geïnterpreteerd. Voor meer dan de helft van de nieuwe behandelepisodes was de prognose van het aantal behandelingen niet vastgelegd. In 2025 ontbrak deze informatie bij ruim 674.000 episodes.

Gemiddeld vijf verrichtingen in zes weken

Een afgesloten behandelepisode telde in 2025 mediaan vijf verrichtingen. De helft van de episodes bestond uit drie tot acht verrichtingen. De mediane behandelduur bedroeg zes weken. De helft van de trajecten duurde tussen twee en dertien weken.

De omvang van de behandeling bleef tussen 2021 en 2025 vrij stabiel. Wel bestaan er verschillen naar leeftijd, geslacht en specialisatie.

Mannen ontvingen mediaan vier verrichtingen gedurende vijf weken. Bij vrouwen ging het om vijf verrichtingen gedurende zes weken.

Patiënten tussen 18 en 44 jaar hadden de kortste trajecten. Zij ontvingen mediaan vier verrichtingen over vijf weken. Bij patiënten van 85 jaar en ouder ging het om zes verrichtingen over zeven weken.

Kinderen tot en met vier jaar kregen mediaan vier verrichtingen, maar hun behandeltraject duurde met acht weken relatief lang. Dit kan samenhangen met de aard van kinderfysiotherapeutische behandelingen, waarbij behandelingen soms minder vaak plaatsvinden maar over een langere periode worden verspreid.

Grote verschillen tussen specialisaties

Oedeemfysiotherapie kende de langste en omvangrijkste behandeltrajecten. Een afgesloten episode bestond mediaan uit twaalf verrichtingen over 24 weken. De spreiding was groot. De helft van de trajecten telde vijf tot 33 verrichtingen en duurde zeven tot 62 weken.

Bij geriatriefysiotherapie ging het mediaan om elf verrichtingen over veertien weken. Kinderfysiotherapeutische trajecten telden mediaan zeven verrichtingen over elf weken.

Een episode manuele therapie bestond mediaan uit vijf verrichtingen over zeven weken. Bekkenfysiotherapie kwam uit op vijf verrichtingen over negen weken. Bij psychosomatische fysiotherapie ging het om zes verrichtingen over tien weken.

Reguliere fysiotherapie kende de kleinste omvang. Deze trajecten bestonden mediaan uit vier verrichtingen en duurden vijf weken.

Van de vijf meest voorkomende gezondheidsproblemen vroegen lage rugklachten en knieklachten om de minste verrichtingen. Beide kwamen uit op mediaan vier verrichtingen. Een traject voor lage rugklachten duurde mediaan vier weken. Bij knieklachten was dat vijf weken.

Schouder- en bovenarmklachten hadden binnen deze groep de langste behandelduur. Een episode duurde mediaan zes weken en telde vier verrichtingen.

Merendeel van de behandelingen vindt in de praktijk plaats

Nivel analyseerde voor 2025 bijna 11,7 miljoen geregistreerde prestaties. Reguliere fysiotherapie vormde met 65,5 procent het grootste deel. Startprestaties waren samen goed voor ongeveer 10 procent. Manuele therapie vertegenwoordigde 9,8 procent van de prestaties.

Het aandeel geriatriefysiotherapie nam toe van 1,5 procent in 2021 naar 2,2 procent in 2025. Dit past bij de stijgende gemiddelde leeftijd van de patiëntenpopulatie. Het rapport toont echter niet aan dat de groei volledig door vergrijzing wordt veroorzaakt.

Van alle prestaties vond 93,5 procent plaats in de praktijk. Behandeling aan huis was goed voor 6,3 procent. Slechts 0,2 procent vond plaats in een instelling. Telefonische behandelingen en behandelingen op de werkplek kwamen nauwelijks voor.

Patiënten worden gemiddeld ouder

De gemiddelde leeftijd van fysiotherapiepatiënten steeg van 48,8 jaar in 2021 naar 50 jaar in 2025. Vrouwen waren met gemiddeld 50,8 jaar iets ouder dan mannen, die gemiddeld 49 jaar waren.

Vrouwen vormden 58,7 procent van de patiëntenpopulatie. Deze verhouding bleef de afgelopen jaren vrijwel gelijk.

Het aandeel patiënten van 65 jaar en ouder nam toe. In 2025 was 15,1 procent tussen 65 en 74 jaar, 10,7 procent tussen 75 en 84 jaar en 3,1 procent minstens 85 jaar oud.

Het aandeel patiënten tussen 45 en 64 jaar daalde van 34,2 procent in 2021 naar 31,8 procent in 2025. Nivel wil nader onderzoeken of de stijgende leeftijd alleen de vergrijzing van de Nederlandse bevolking weerspiegelt of dat ouderen naar verhouding vaker fysiotherapeutische zorg gebruiken.

Behandeldoel vaker als bereikt geregistreerd

Bij 80,8 procent van de episodes met een bekende reden voor beëindiging stopte de behandeling omdat het behandeldoel was bereikt. Bij 8,1 procent beëindigde de patiënt zelf de behandeling. De fysiotherapeut stopte 2,3 procent van de trajecten.

Bij 1,3 procent was er een verzekeringsgerelateerde reden. Het aandeel eenmalige zittingen bedroeg 4,1 procent.

Het geregistreerde behandelresultaat verbeterde tussen 2021 en 2025. In 2021 werd bij 65,9 procent van de vastgelegde resultaten aangegeven dat het behandeldoel was bereikt. In 2025 was dat 73,4 procent.

Bij 8,5 procent was het doel deels bereikt en bij 3,8 procent niet bereikt. Het aandeel waarbij de fysiotherapeut het resultaat niet kende, daalde van 26,8 procent in 2021 naar 14,3 procent in 2025.

De stijging betekent niet automatisch dat behandelingen aantoonbaar effectiever zijn geworden. De registratie is eveneens veranderd. In 2025 was het resultaat vaker bekend dan in eerdere jaren. Bovendien ontbrak het behandelresultaat nog bij ongeveer 29 procent van alle afgesloten episodes.

Nivel wil daarom verder onderzoeken welke factoren de ontwikkeling van het geregistreerde behandelresultaat verklaren.

Meetinstrument gebruikt bij 94 procent van de trajecten

Bij 94,4 procent van de afgesloten behandelepisodes was minimaal één meetinstrument geregistreerd. Dit aandeel bleef sinds 2021 redelijk stabiel.

De Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst werd gebruikt bij 96,1 procent van de episodes waarin een meetinstrument was vastgelegd. De Numeric Pain Rating Scale volgde met 95,1 procent. De Global Perceived Effect werd bij 54,2 procent geregistreerd.

De STaRT MSK Tool kwam voor bij 23,5 procent van de gemeten episodes. De StartBack Screening Tool werd bij 10,9 procent gebruikt.

De keuze voor aanvullende meetinstrumenten verschilde per specialisatie. Binnen de manuele therapie werd de Quebec Back Pain Disability Scale bij 16,4 procent gebruikt. Geriatriefysiotherapeuten registreerden de zesminutenwandeltest bij 15,7 procent en de Timed Up and Go test bij 11 procent.

Binnen de psychosomatische fysiotherapie werd de Vierdimensionale Klachtenlijst bij 19,2 procent gebruikt. De Nijmeegse Hyperventilatie Lijst kwam voor bij 10,9 procent. Bij bekkenfysiotherapie werd de PRAFAB bij 7,9 procent van de episodes geregistreerd.

Belangrijke kanttekening bij de trendcijfers

De onderzoekers gebruikten voor dit rapport een aangepaste methode. Vanaf deze editie telt ook fysiotherapeutische zorg mee die is geleverd binnen oefentherapiepraktijken, gezondheidscentra en andere typen praktijken.

Nivel heeft de cijfers over 2021 tot en met 2025 opnieuw berekend volgens deze methode. De trends binnen het nieuwe rapport kunnen daardoor onderling worden vergeleken. De cijfers moeten niet rechtstreeks worden vergeleken met cijfers uit eerder gepubliceerde jaarrapporten.

De registratie vertegenwoordigt ongeveer 10,2 procent van de Nederlandse eerstelijnsfysiotherapiepraktijken. De 8.057 deelnemende fysiotherapeuten vormen 24,6 procent van alle fysiotherapeuten in het landelijke AGB-register.

De regionale verdeling wijkt enigszins af van de landelijke situatie. Praktijken uit West-Nederland zijn binnen de registratie relatief minder sterk vertegenwoordigd. Praktijken uit Oost-Nederland zijn juist relatief sterker vertegenwoordigd.

Zelfstandige en meetbare rol fysiotherapie groeit

De cijfers over 2025 laten zien dat patiënten de fysiotherapeut steeds vaker rechtstreeks benaderen. Bijna acht op de tien nieuwe behandeltrajecten beginnen inmiddels zonder verwijzing. Tegelijkertijd bestaat een doorsneetraject uit een beperkt aantal verrichtingen en duurt het mediaan zes weken.

De veroudering van de patiëntenpopulatie en de groei van het aandeel terugkerende klachten kunnen de komende jaren meer invloed krijgen op de fysiotherapeutische zorg. Vooral geriatriefysiotherapie en andere specialisaties die zich richten op langdurige of complexe problemen kunnen hierdoor belangrijker worden.

De registratie van behandelresultaten is verbeterd, maar blijft een aandachtspunt. Bij een groot aantal episodes ontbreken nog gegevens over de prognose, de reden van beëindiging of het uiteindelijke resultaat. Een completere registratie is nodig om beter te kunnen beoordelen hoe de zorgvraag, behandelkeuzes en resultaten zich werkelijk ontwikkelen.

Bron, Nivel, Zorg door de fysiotherapeut, Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn, jaarcijfers 2025 en trendcijfers 2021 tot en met 2025, september 2026.