Hartrevalidatie als compleet behandelprogramma hoort niet langer in het basispakket voor patiënten met stabiele angina pectoris en voor patiënten met atriumfibrilleren. Dat staat in de brief aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in het bijbehorende standpunt van Zorginstituut Nederland. Volgens het Zorginstituut is voor deze twee patiëntgroepen niet voldoende aangetoond dat hartrevalidatie bovenop de gebruikelijke behandeling duidelijke gezondheidswinst oplevert. Voor fysiotherapeuten is dat relevant, omdat oefentherapie een vast onderdeel is van veel hartrevalidatietrajecten.
Besluit raakt vooral het complete hartrevalidatieprogramma
Het besluit gaat over hartrevalidatie als multidisciplinair totaalprogramma. Zo’n traject bestaat meestal uit een intake, fysieke training, begeleiding bij leefstijl, educatie en zo nodig psychosociale ondersteuning in een ziekenhuis of revalidatiecentrum. Binnen dat programma speelt de fysiotherapeut vaak een centrale rol bij het opbouwen van belastbaarheid, het verbeteren van inspanningsvermogen en het begeleiden van gedragsverandering. Het Zorginstituut maakt tegelijk duidelijk dat afzonderlijke onderdelen van zorg nog wel vergoed kunnen worden, zolang daar een eigen medische indicatie voor bestaat. Denk aan leefstijlbegeleiding, diëtetiek of psychologische zorg.
Waarom het Zorginstituut tot dit oordeel komt
De discussie over deze indicaties loopt al langer. Voor stabiele angina pectoris was eerder al onderzocht of hartrevalidatie aantoonbaar effectief is. Volgens het Zorginstituut bleef dat bewijs ook na herbeoordeling onvoldoende. De recente richtlijnen adviseren hartrevalidatie nog wel, maar het Zorginstituut kijkt bij pakketbeheer strikter naar de vraag of de meerwaarde voor juist deze specifieke patiëntengroepen overtuigend is aangetoond. Dat bleek volgens het instituut niet het geval.
Conclusie bij stabiele angina pectoris is duidelijk negatief
Voor patiënten met stabiele angina pectoris komt uit het rapport naar voren dat de beschikbare studies geen stevig bewijs leveren voor relevante meerwaarde van hartrevalidatie als totaalprogramma. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor minder cardiovasculaire gebeurtenissen op korte termijn. Ook voor vermindering van klachten is het bewijs onzeker. Voor kwaliteit van leven ziet het Zorginstituut evenmin een overtuigend klinisch relevant effect. Daarmee vindt het instituut de onderbouwing te zwak om vergoeding vanuit het basispakket te blijven rechtvaardigen.
Ook bij atriumfibrilleren geen bewezen meerwaarde
Voor atriumfibrilleren is de lijn hetzelfde. Ook daar concludeert het Zorginstituut dat onvoldoende is aangetoond dat hartrevalidatie leidt tot minder complicaties, minder klachten of een duidelijk betere kwaliteit van leven. Dat betekent dat ook voor deze indicatie het complete hartrevalidatieprogramma niet langer voldoet aan de eisen voor verzekerde zorg uit het basispakket.
Voor fysiotherapeuten is dit meer dan een administratieve wijziging
Voor de fysiotherapeut raakt dit besluit direct aan de dagelijkse praktijk. Hartrevalidatie is in veel settings een bekend en gestructureerd zorgpad, met vaste verwijslijnen vanuit de cardiologie en duidelijke afspraken over opbouw, monitoring en evaluatie. Als de vergoeding van het complete programma vervalt, verandert niet alleen de bekostiging, maar ook de manier waarop patiënten worden verwezen en begeleid. De kans is groot dat fysiotherapeuten vaker moeten uitleggen wat nog wel kan binnen reguliere zorg en wat niet meer onder een hartrevalidatietraject valt.
Bewegen blijft belangrijk, maar de pakketstatus verandert
Het besluit betekent niet dat bewegen of oefentherapie voor deze patiënten ineens geen waarde meer heeft. Het oordeel van het Zorginstituut gaat over de vraag of het volledige multidisciplinaire programma voor deze indicaties bewezen effectief genoeg is om collectief te vergoeden. Dat is iets anders dan de vraag of individuele patiënten baat kunnen hebben bij begeleiding op het gebied van inspanning, belastbaarheid of leefstijl. Voor fysiotherapeuten wordt het daardoor belangrijker om goed te onderbouwen welk individueel behandeldoel centraal staat en binnen welk zorgkader de behandeling plaatsvindt.
Spanning tussen richtlijn en vergoeding
Juist daar ontstaat nu spanning in het veld. Richtlijnen kunnen een behandeling inhoudelijk aanbevelen, terwijl die behandeling toch niet uit het basispakket wordt vergoed. Voor fysiotherapeuten is dat een bekend maar lastig spanningsveld. In de spreekkamer kan dat leiden tot verwarring bij patiënten, zeker als een verwijzer hartrevalidatie nog als logische stap ziet, terwijl de verzekeringsstatus verandert. Goede afstemming met cardiologen, huisartsen en andere betrokken zorgverleners wordt daardoor nog belangrijker.
Overgangsregeling voorkomt directe stop van lopende trajecten
Het besluit gaat niet meteen volledig in voor iedereen. Er komt een overgangsregeling voor patiënten met stabiele angina pectoris of atriumfibrilleren die op het moment van publicatie al waren gestart met hartrevalidatie of daar al voor waren geïndiceerd. Zij mogen hun traject afronden tot uiterlijk 1 januari 2027. Voor nieuwe patiënten die op de publicatiedatum nog niet waren geïndiceerd, vervalt de vergoeding van het complete hartrevalidatieprogramma uit het basispakket.
Wat dit in de praktijk waarschijnlijk gaat veranderen
In de komende periode zullen fysiotherapeuten waarschijnlijk meer vragen krijgen over vergoedingen, indicaties en behandelopties. Ook de dossiervoering wordt belangrijker. Wie een patiënt behandelt met klachten of beperkingen die samenhangen met stabiele angina pectoris of atriumfibrilleren, zal nog scherper moeten vastleggen wat het doel van de behandeling is, binnen welke verwijzing of indicatie die plaatsvindt en of sprake is van reguliere fysiotherapeutische zorg of van een breder hartrevalidatietraject. Dat vraagt om duidelijke communicatie, zowel richting patiënt als richting verwijzer en verzekeraar.
Besluit kan druk zetten op de eerste lijn
Het is goed mogelijk dat een deel van de zorg verschuift naar de eerste lijn. Patiënten die voorheen binnen een vergoed hartrevalidatieprogramma terechtkwamen, kunnen nu vaker uitkomen bij losse vormen van begeleiding, waaronder fysiotherapie. Dat kan in de praktijk leiden tot meer maatwerk, maar ook tot meer onduidelijkheid over verantwoordelijkheid, bekostiging en afbakening van zorg. Voor fysiotherapeuten betekent dat dat inhoudelijke expertise alleen niet genoeg is. Kennis van indicatiestelling en vergoeding wordt opnieuw belangrijker.
Kern van het besluit voor de fysiotherapeut
De boodschap van het Zorginstituut is helder. Hartrevalidatie bij stabiele angina pectoris en atriumfibrilleren wordt als totaalprogramma niet langer gezien als bewezen effectieve zorg voor opname in het basispakket. Voor fysiotherapeuten verandert daarmee niet de inhoudelijke relevantie van bewegen en training, maar wel het zorglandschap waarin die begeleiding wordt aangeboden. De komende tijd zal vooral draaien om heldere indicaties, goede afstemming met verwijzers en duidelijke uitleg aan patiënten over wat nog wel en niet vergoed wordt.








