De eerste lijn is in beweging, maar de druk op toegankelijkheid, samenwerking en personele capaciteit blijft groot. Dat blijkt uit de nieuwe 2-meting van het Nivel over de beweging naar een sterkere eerste lijn. Voor fysiotherapeuten is het rapport vooral relevant omdat hun rol steeds nadrukkelijker wordt verbonden aan regionale samenwerking, preventie, directe toegankelijkheid en passende zorg.

- tekst gaat verder na deze advertentie -


FysioVacature, de vacaturesite voor de fysiotherapeut

Het Nivel ziet dat de organisatie van de eerste lijn concreter wordt. Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden en hechte wijkverbanden krijgen in steeds meer regio’s vorm. Tegelijk blijft tijd een knelpunt. Dat raakt fysiotherapiepraktijken direct. Praktijken worden vaker gevraagd om mee te denken in wijkverbanden, aan te sluiten bij regionale afspraken en hun eigen beroepsgroep beter te organiseren.

De belangrijkste boodschap voor de fysiotherapeut is duidelijk. De beroepsgroep staat er op veel punten goed voor, maar kan zich niet afzijdig houden. De zorgvraag verandert, preventie groeit, directe toegankelijkheid wordt belangrijker en de beschikbare capaciteit groeit niet vanzelf mee.

Waarom dit rapport belangrijk is voor fysiotherapeuten

Fysiotherapeuten zijn een vast onderdeel van de eerstelijnszorg zoals het Nivel die in de monitor beschrijft. De monitor kijkt niet alleen naar huisartsen, wijkverpleging en apotheken, maar ook naar paramedische disciplines zoals fysiotherapie, oefentherapie, ergotherapie, diëtetiek, logopedie, huidtherapie en optometrie.

Voor fysiotherapeuten vallen vooral vijf punten op:

  • De organisatie van de eerste lijn wordt regionaal en lokaal sterker ingericht.
  • Fysiotherapie en oefentherapie scoren relatief goed op wachttijd en bereikbaarheid.
  • Burgers kennen de directe toegankelijkheid van fysiotherapie beter dan die van veel andere eerstelijnsberoepen.
  • De capaciteit van fysiotherapeuten blijft stabiel, maar groeit niet sterk mee met de bredere zorgvraag.
  • Preventie, valpreventie en leefstijl bieden meer ruimte voor een actieve rol van fysiotherapeuten.

Regionale samenwerking komt verder van de grond

In bijna alle eerstelijnszorgregio’s is de ontwikkeling van regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden en hechte wijkverbanden in gang gezet. Van de 54 eerstelijnszorgregio’s hebben 52 regio’s een uitvoeringssubsidie ontvangen. Daarmee is 98 procent van Nederland, gemeten naar inwoneraantallen, betrokken bij deze beweging.

Paramedici zijn bij de subsidieaanvragen standaard betrokken. Dat betekent dat fysiotherapeuten in de regionale plannen niet als bijzaak worden gezien, maar als vaste partner in de eerste lijn. Dit biedt kansen, maar vraagt ook organisatiekracht. Een individuele praktijk kan moeilijk namens de hele beroepsgroep spreken. Daarom wordt monodisciplinaire organisatie belangrijker.

Voor fysiotherapeuten zijn tot peildatum 1 maart 2026 in 43 van de 54 regio’s vouchers gehonoreerd voor versterking van de regionale monodisciplinaire organisatiegraad. In 11 regio’s was er nog geen aanvraag of toekenning. Dat laat zien dat de beroepsgroep al stevig meedoet, maar dat er nog ruimte is om de regionale vertegenwoordiging verder te versterken.

Voor de praktijk betekent dit dat fysiotherapeuten vaker te maken krijgen met wijktafels, regionale overleggen, afspraken over verwijzing en terugkoppeling, en gezamenlijke plannen rond kwetsbare doelgroepen. Wie daar niet aan tafel zit, loopt het risico dat afspraken over passende zorg zonder fysiotherapeutische inbreng worden gemaakt.

Tijd en capaciteit blijven grootste rem op samenwerking

Het Nivel noemt beschikbare tijd en personele capaciteit als belangrijke belemmeringen voor samenwerking op regio en wijkniveau. Zorgprofessionals en projectleiders geven aan dat samenwerking nodig is, maar dat het lastig blijft om daarvoor ruimte te maken naast het dagelijkse werk.

Voor fysiotherapiepraktijken is dat herkenbaar. De agenda zit vol, de administratieve druk blijft aanwezig en overleguren worden niet altijd goed vergoed. Toch laat het rapport zien dat bestaande samenwerkingsstructuren juist helpen. Waar praktijken al contact hebben met huisartsen, wijkverpleging, gemeenten of het sociaal domein, kan sneller worden gebouwd aan hechte wijkverbanden.

Een praktische stap is om per praktijk of praktijkgroep één vast aanspreekpunt aan te wijzen voor regionale samenwerking. Dat voorkomt versnippering en maakt het makkelijker om signalen uit de behandelkamer terug te koppelen naar het wijkverband.

Fysiotherapie blijft goed toegankelijk volgens zorggebruikers

De toegankelijkheid van fysiotherapie en oefentherapie komt relatief goed uit de monitor. Van de zorggebruikers die in 2025 bij een fysiotherapeut of oefentherapeut kwamen, gaf 84 procent aan binnen een week terecht te kunnen. Daarmee voldoet een groot deel aan de Treeknorm voor paramedische zorg.

Ook de tevredenheid over de wachttijd is hoog wanneer mensen binnen een week terechtkunnen. Bij fysiotherapie geldt dat 95 procent van de zorggebruikers tevreden was over de wachttijd als deze binnen de Treeknorm viel. Bij wachttijden langer dan twee weken nam de tevredenheid duidelijk af, al ging het daarbij om een kleine groep.

Ook de bereikbaarheid scoort relatief goed. In 2025 gaf 73 procent van de zorggebruikers aan dat de fysiotherapeut of oefentherapeut altijd bereikbaar was bij vragen over ziekte of behandeling, of voor het plannen of verzetten van een afspraak. Daarmee scoort deze groep hoger dan veel andere eerstelijnsprofessionals.

Directe toegankelijkheid is bekend, maar vraagt onderhoud

De directe toegankelijkheid van fysiotherapie is sterker bekend dan die van veel andere eerstelijnsberoepen. In 2025 wist 79 procent van de burgers dat zij zonder verwijzing van de huisarts naar de fysiotherapeut kunnen. Ook gaf 58 procent aan dat zij dit wel eens hebben gedaan.

Dat is belangrijk in een eerste lijn waar de huisarts onder druk staat. Directe toegankelijkheid kan onnodige verwijsvragen voorkomen. Tegelijk vraagt dit van fysiotherapeuten dat triage, verslaglegging en terugkoppeling aan de huisarts goed zijn ingericht. Zeker bij rode vlaggen, complexe klachten, kwetsbare ouderen en patiënten met meerdere aandoeningen blijft goede afstemming nodig.

Voor praktijken ligt hier een concrete kans. Zet op de website, in online afsprakenmodules en in patiëntcommunicatie helder wanneer iemand direct kan komen en wanneer contact met de huisarts nodig is. Dat verlaagt de drempel voor patiënten en helpt bij passende instroom.

Rugklachten blijven de grootste behandelgroep

Bij fysiotherapie blijven spier-, pees- en fascieaandoeningen van de wervelkolom het meest voorkomende gezondheidsprobleem. De top van de behandelvraag is daarmee stabiel. Ook klachten aan knie, onderbeen, voet, bekken, bovenbeen, schouder en bovenarm blijven veel voorkomen.

Wel ziet het Nivel kleine verschuivingen tussen 2023 en 2024. Het aantal behandeltrajecten voor klachten aan de wervelkolom nam af. Tegelijk steeg het aantal behandeltrajecten voor spier-, pees- en fascieaandoeningen aan knie, onderbeen, voet, bekken en bovenbeen.

Voor fysiotherapiepraktijken kan dit relevant zijn voor personeelsplanning, scholing en positionering. Praktijken die veel musculoskeletale klachten zien, kunnen de cijfers gebruiken om hun aanbod te toetsen. Denk aan specialisatie in lage rugklachten, knieklachten, sportgerelateerde klachten, valpreventie of herstel na orthopedische zorg.

Meer verwijzingen naar de tweede lijn vragen om goede afstemming

Het totale aantal verwijzingen van de huisarts naar medisch specialistische zorg nam toe van 306 per 1000 ingeschreven personen in 2019 naar 323 per 1000 in 2024. Tussen 2023 en 2024 waren onder meer dermatologie en orthopedie de specialismen met de grootste stijgingen.

Het rapport geeft geen verklaring voor deze stijging. Mogelijke factoren zijn complexere patiënten, richtlijnwijzigingen, verwachtingen van patiënten of beschikbare capaciteit. Voor fysiotherapeuten is vooral de stijging richting orthopedie relevant. Die kan invloed hebben op de instroom van patiënten met knie-, heup-, schouder- en rugklachten, maar ook op prehabilitatie, conservatieve trajecten en nazorg na ingrepen.

Een goede regionale afspraak tussen huisarts, fysiotherapeut en orthopedie kan helpen om patiënten sneller op de juiste plek te krijgen. Denk aan duidelijke criteria voor verwijzing, een gedeelde aanpak bij knieartrose en heldere terugkoppeling na een conservatief behandeltraject.

Preventie groeit, maar leefstijlgesprekken blijven beperkt

Preventie is een belangrijk onderdeel van de beweging naar passende zorg. Vooral valpreventie en de gecombineerde leefstijlinterventie zijn relevant voor fysiotherapeuten. Gemeenten zijn de afgelopen jaren vaker gestart met de implementatie van ketenaanpakken. Voor valpreventie steeg dit van 41 procent in 2023 naar 98 procent in 2025. Voor de gecombineerde leefstijlinterventie steeg dit van 47 procent in 2023 naar 72 procent in 2025.

Ook op individueel niveau is er beweging. In 2024 namen 60.345 mensen deel aan de gecombineerde leefstijlinterventie. Daarnaast deden 80.000 mensen van 65 jaar en ouder mee aan een valpreventie-interventie.

Tegelijk laat de monitor zien dat burgers nog weinig met eerstelijnszorgverleners praten over leefstijl. In 2025 gaf een meerderheid aan nooit met een eerstelijnszorgverlener te hebben gesproken over roken, bewegen, voeding, gewicht, alcoholgebruik of stress. Over bewegen werd nog het vaakst gesproken. Een kwart van de burgers gaf aan hierover wel eens contact te hebben gehad met een eerstelijnszorgverlener.

Voor fysiotherapeuten ligt hier een duidelijke praktijkkans. Bewegen is al een kernonderwerp binnen fysiotherapie. Door leefstijl, belastbaarheid, valrisico en dagelijks functioneren standaard mee te nemen in intake en evaluatie, kan de fysiotherapeut preventie concreet maken zonder het consult te verbreden tot algemene leefstijlcoaching.

Capaciteit fysiotherapie blijft stabiel

Het aantal BIG-geregistreerde fysiotherapeuten en het aantal werkzame fysiotherapeuten bleef volgens het Nivel stabiel over de periode 2020 tot en met 2025. Ook tussen 2024 en 2025 was er geen duidelijke stijging of daling.

In 2025 telde het rapport 36.227 BIG-geregistreerde fysiotherapeuten en 34.106 werkzame fysiotherapeuten op basis van AGB-code. Dat wijst op een relatief stabiele beroepsgroep. Tegelijk betekent stabiliteit niet automatisch dat de capaciteit voldoende is. De potentiële zorgvraag in de eerste lijn blijft toenemen door vergrijzing, chronische aandoeningen en complexere zorgvragen.

Voor fysiotherapiepraktijken betekent dit dat slimmer organiseren belangrijker wordt. Denk aan triage aan de voorkant, groepsaanbod waar dat passend is, digitale ondersteuning bij oefeningen, goede taakverdeling binnen de praktijk en scherpe afspraken met verwijzers.

Werkdruk lager dan in 2019, maar nog steeds aandachtspunt

De werkdruk onder fysiotherapeuten lag in 2024 lager dan in 2019, maar blijft relevant. In 2019 gaf 39 procent van de fysiotherapeuten aan erg snel te moeten werken. In 2024 was dat 32 procent. Het aandeel dat extra hard moest werken daalde van 37 procent in 2019 naar 27 procent in 2024.

Het ziekteverzuim onder fysiotherapeuten piekte in 2022 op 7 procent. In 2024 lag het verzuim op 4 procent en was het daarmee terug rond het niveau van voor de piek. Ook het werkplezier bleef stabiel. In 2024 was 84 procent tevreden met het werk en 80 procent tevreden met de arbeidsomstandigheden.

Dat zijn positieve signalen. Tegelijk blijft de combinatie van hoge patiëntvraag, regionale samenwerking, preventietaken en administratieve druk een aandachtspunt. Praktijken doen er goed aan om samenwerkingstijd, overlegrollen en preventietaken niet als extra klus naast het werk te organiseren, maar als onderdeel van de praktijkvoering.

Wat fysiotherapiepraktijken nu kunnen doen

Het rapport geeft geen blauwdruk voor de fysiotherapiepraktijk, maar de uitkomsten wijzen wel op praktische acties.

  • Wijs een vast aanspreekpunt aan voor wijkverbanden en regionale samenwerking.
  • Sluit aan bij lokale afspraken over valpreventie, GLI, kwetsbare ouderen en chronische aandoeningen.
  • Maak de directe toegankelijkheid zichtbaar op de praktijkwebsite en in patiëntcommunicatie.
  • Leg met huisartsen vast wanneer terugkoppeling nodig is, vooral bij complexe klachten en rode vlaggen.
  • Gebruik praktijkdata om te zien welke klachten toenemen en welke behandelgroepen capaciteit vragen.
  • Plan tijd voor samenwerking, zodat overleg niet steeds bovenop de behandelagenda komt.
  • Werk aan een regionale vertegenwoordiging van fysiotherapeuten, zodat de beroepsgroep aan tafel zit bij afspraken over passende zorg.

Conclusie

De 2-meting van het Nivel laat zien dat de eerste lijn sterker wordt georganiseerd, maar dat de druk op capaciteit en samenwerking blijft. Voor fysiotherapeuten is het beeld gemengd. De toegankelijkheid is relatief goed, de directe toegankelijkheid is breed bekend en het werkplezier blijft stabiel. Tegelijk groeit de vraag naar regionale afstemming, preventie en passende inzet van capaciteit.

De fysiotherapeut wordt daarmee niet minder belangrijk in de eerste lijn, maar juist zichtbaarder. De komende jaren zal vooral de vraag zijn hoe praktijken hun behandelcapaciteit combineren met een stevige positie in wijk en regio.